Den Haag,
21
april
2020
|
17:56
Europe/Amsterdam

Rijk en provincies eens over invulling Impulsregeling klimaatadaptatie

Samenvatting

Decentrale overheden kunnen vanaf 1 januari 2021 gebruikmaken van de Impulsregeling klimaatadaptatie. Ze kunnen een rijksbijdrage krijgen voor het versneld uitvoeren van adaptatiemaatregelen, het uitbreiden van al geplande ruimtelijke maatregelen met een adaptatiecomponent of het oppakken van nieuwe adaptatiemaatregelen. Leden van de stuurgroep Water maakten op 8 april jongstleden afspraken over de opzet en werking van de regeling. Minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stuurde vervolgens een brief naar de Tweede Kamer over de invulling.

Werkregio’s centraal

De werkregio’s van het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie staan centraal. Dit betekent dat de partijen in een werkregio samen een maatregelenprogramma opstellen voor de periode tot en met 2027. De partijen dienen gezamenlijk een investeringsvoorstel in bij het Rijk. Een combinatie van werkregio’s, bijvoorbeeld op het niveau van een gebiedsoverleg, kan ook een voorstel indienen. Voor de verdeling van de inzet van middelen over de werkregio’s hanteert het ministerie een verdeelsleutel op basis van inwoneraantal en oppervlakte. Het maximumbedrag waarop aanspraak gemaakt kan worden, verschilt per werkregio. Het Rijk draagt maximaal 33% bij. De decentrale overheden in de werkregio maken onderling afspraken over de invulling van de 67% cofinanciering.

Beleidsreservering

Het Rijk reserveert in de begroting van 2021 een bedrag tussen de € 150 en 250 miljoen voor de Impulsregeling. Deze reservering is onderdeel van de afgesproken totale inzet van 300 miljoen, die is vastgelegd in het bestuursakkoord klimaatadaptatie. Het Rijk trekt ook middelen uit voor de ondersteuning van het ruimtelijke adaptatieproces in de werkregio’s, de uitvoering van pilots, kennisontwikkeling en de realisatie van zoetwatermaatregelen die bijdragen aan de doelen van ruimtelijke adaptatie.

Voorwaarden

De afgesproken werkwijze houdt in dat de werkregio’s een gezamenlijk voorstel indienen:

- waaruit de opgave blijkt (op basis van stresstesten, risicodialogen en uitvoeringsagenda’s),
- met een maatregelenprogramma,
- waarbinnen de regio zelf prioriteert en niet meer aanvraagt dan het trekkingsrecht,
- waarin staat aangegeven dat het een bestuurlijk commitment betreft van minimaal twee verschillende overheidslagen (provincie, gemeenten, waterschap) binnen de werkregio(s),
- met een onderbouwing aangaande de opgestelde criteria voor een Rijksbijdrage,
- met een investeringsvoorstel waaraan de indieners zich kunnen houden en dat informatie geeft over de opbouw van de financiering van het maatregelprogramma,
- waarin staat welke onderdelen van de uitvoeringsagenda versneld of aanvullend kunnen worden opgepakt met de Rijksbijdrage,
- waarin staat hoe de governance van de werkregio is ingericht,

- indien relevant: waarin staat hoe afstemming met de zoetwateropgave en de netwerken van Rijkswaterstaat plaatsvindt.

De criteria en randvoorwaarden aan de hand waarvan het Rijk de aanvragen toetst, staan in de Kamerbrief. Door middel van een specifieke uitkering worden toegekende middelen overgemaakt naar een kassier (gemeente of provincie) binnen de werkregio.

Hans Kuipers, gedeputeerde in Drenthe en als IPO-portefeuillehouder klimaatadaptatie nauw betrokken bij de totstandkoming van de regeling zegt: “Ik ben blij dat de koepels (IPO, VNG en UvW) samen met het Rijk een simpele maar doelmatige regeling hebben bedacht. De impulsregeling gaat de komende jaren een grote versnelling betekenen in de realisatie van klimaatadaptieve maatregelen. De impulsregeling legt daarbij de regie waar hij hoort; in de regio.”

Planning

De beoogde datum voor inwerkingtreding van de regeling is 1 januari 2021. In 2027 moet de uitvoering van de maatregelenprogramma’s gereed zijn. Een aanvraag doen kan van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023. De werkregio hoeft niet in één keer een totaalpakket in te dienen, maar kan dat verdelen over maximaal drie jaar. Een werkregio kan één keer per jaar een aanvraag indienen voor een Rijksbijdrage, totdat het maximumbudget van de werkregio bereikt is.

Vervolg en voorbereiding van werkregio’s

De komende periode stelt het ministerie een ministeriele regeling op waarin de voorwaarden voor de Impulsregeling worden vastgelegd. De wijze van aanvragen en eisen aan in te dienen voorstellen (waaronder formats) moeten nog worden uitgewerkt. Dit gebeurt in nauwe afstemming tussen het Rijk en de koepels. De beleidsreservering voor de Impulsregeling wordt op Prinsjesdag 2020 zichtbaar in de begroting van het ministerie van IenW. Vanaf dat moment wordt de verdeling over de werkregio’s op basis van de verdeelsleutel ingevuld. Het ministerie van IenW zal de werkregio’s snel na Prinsjesdag hiervan op de hoogte stellen via een brief.

Tip: wil je in 2021 snel van start? Bereid je dan nu al voor! Je kunt binnen je werkregio vast nadenken over het samenstellen van een maatregelenprogramma, de besturing en procesafspraken over de uitvoering.

De coronacrisis heeft ook gevolgen voor het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie. Overheden die in het voorjaar van 2020 risicodialogen wilden voeren, zien zich genoodzaakt deze uit te stellen. Het is begrijpelijk dat dit kan betekenen dat het opstellen van de uitvoeringsagenda niet in 2020 kan worden afgerond. Dit heeft geen gevolgen voor het maken van aanspraak op middelen uit de Impulsregeling. Tot en met 2023 kunnen immers voorstellen worden ingediend.

Vragen

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht. Stel deze via postbus.RA@minienw.nl. Houd er rekening mee dat nog niet alle details zijn uitgewerkt. Mogelijk kan nog niet op alle vragen antwoord gegeven worden.