Den Haag,
13
november
2020
|
18:20
Europe/Amsterdam

Snelle invoering Omgevingswet blijft gewenst

Vandaag zond de minister een brief over de voortgang van de omgevingswet met het BIT-advies aan de Kamer.

De gezamenlijke provincies willen, in lijn met het advies van het Bureau ICT-Toetsing (BIT), vasthouden aan de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2022. Nog meer uitstel van de wet vergroot het risico op energieverlies en brengt extra, niet voorziene en ongedekte kosten met zich mee. We zullen er dan ook samen met onze bestuurlijke partners alles aan doen om de datum te halen. Mocht het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) op deze datum nog niet volledig klaar zijn, dan accepteren we dat. We zoeken daar dan gezamenlijk oplossingen voor. We houden wel vast aan de bestuurlijk afgesproken eindambitie (scenario 3), want dat levert de meeste maatschappelijke baten op.

De Omgevingswet voorziet in duidelijke en eenvoudige regels voor inwoners en ondernemers, kortere procedures voor vergunningverlening, meer lokale afwegingsruimte en meer samenhang in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is cruciaal en noodzakelijk voor de opgaven waar de provincies op dit moment voor staan, waaronder woningbouw, energietransitie en klimaatadaptatie.

De invoering van de wet gaat gepaard met een forse digitaliseringsopgave: het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Daarvoor worden flinke investeringen gevraagd. Die investeringen moeten er onder andere toe leiden dat burgers en bedrijven makkelijker een vergunning kunnen aanvragen en sneller duidelijkheid krijgen over deze aanvraag. Provincies zijn overtuigd van de maatschappelijke winst die het DSO op zal leveren. Dat het niet eenvoudig zou worden, wisten we op voorhand. Dat het digitale stelsel nog niet werkt zoals bedacht, zoals het rapport van het BIT stelt, herkennen we. We onderkennen ook dat het nog een aantal jaren duurt voordat het stelsel werkt zoals beoogd: dat alle informatie die nodig is voor een ontwikkeling met één klik op de knop beschikbaar is en burgers en bedrijven daadwerkelijk voordeel ervaren van de Omgevingswet. We houden wel vast aan deze bestuurlijk afgesproken eindambitie (scenario 3) en hebben er vertrouwen in dat onze gezamenlijke inspanningen met Rijk, Unie van Waterschappen en VNG tot een goed resultaat leiden.

Jop Fackeldey, gedeputeerde in Flevoland en lid van het IPO-bestuur, zegt daarover het volgende: “Als je iets echt belangrijk vindt, dan blijkt er altijd geld te zijn, dat is zeker gebleken tijdens de coronacrisis. Er is ook geen andere weg dan er samen uit te komen. Zo nodig moet er meer geld bij komen vanuit het Rijk. Gemeenten – maar ook provincies - zijn financieel hard aangepakt, bijvoorbeeld in het sociaal domein. Dan kan dit er niet nog eens bovenop."

In 2016 hebben Rijk en Koepels heldere afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten voor de invoering van de Omgevingswet: investeringskosten DSO komen voor rekening van het Rijk en de individuele overheden dragen hun eigen invoeringskosten. Ook is afgesproken dat decentrale overheden de opbrengsten die de Omgevingswet genereert zelf mogen houden, om zo hun investeringen terug te kunnen verdienen. Provincies constateren dat de invoeringskosten vele malen hoger uitkomen dan in 2015 geraamd. Tegelijkertijd constateren we ook dat de structurele kosten en baten nog onvoldoende in beeld zijn en dat er pas opbrengsten zijn als de wet in werking is getreden. Op dit moment kunnen we dus nog geen scherpe conclusies trekken over de financiële gevolgen van de Omgevingswet voor de decentrale overheden. Uitgangspunt van de provincies blijft dat de decentrale overheden er financieel niet op achteruit mogen gaan. Op het moment dat dit wel dreigt te gebeuren, gaan we hierover in gesprek met de Minister.